| Gerrit Brand |
Tekst en foto’s Gerrit Brand Paul Gellings verzamelde meer dan een halve eeuw poëzie in zijn nieuwe gedichtenbundel, De oerknal was een festival. In zijn huis in Zwolle spreekt hij over de genade van het gedicht, Patrick Modiano met een hondje op straat, de techniek van Paul Auster, de naoorlogse stilte en de hardnekkigheid van de literatuur. ‘Mijn leven is literatuur.’ Paul Gellings woont aan een lommerrijk plein in Zwolle, in een ruim huis uit de jaren dertig. Boven, op de verdieping waar hij werkt, heeft hij zijn eigen domein. Daar kan hij zich terugtrekken en schrijven zolang hij wil. ‘Ik ben hier volledig autonoom,’ zegt hij met zichtbaar genoegen. Dan voegt hij eraan toe: ‘Ik heb hier zelfs een badkamer.’ Dat laatste lijkt hem niet onbelangrijk. Het ideaal van de schrijver: een verdieping waarvan hij in beginsel niet meer af hoeft.
0 Comments
Boekenkrant, juni 2026 Essay, Gerrit Brand Dit essay werd geplaatst op de literaire website Tzum en in het juninummer van de Boekenkrant. Veel mensen vinden dat literatuur boven de politiek zou moeten staan. Alsof de roman een neutrale ruimte is, los van de wereld, waar schoonheid, stijl en verbeelding belangrijker zijn dan maatschappelijke betrokkenheid. Tegelijkertijd verwachten we van schrijvers juist vaak dat zij zich uitspreken wanneer de wereld in brand staat. Zeker in een tijd van oorlogen, polarisatie en permanente media-ophef lijkt zwijgen haast verdacht geworden. Moet een schrijver zich met politiek bemoeien? Die vraag hield mij bezig tijdens het schrijven van mijn roman Naar Beiroet. Het was de eerste keer dat een boek van mij nadrukkelijk een politieke dimensie kreeg. Niet omdat ik een politieke roman wilde schrijven, maar omdat de werkelijkheid zich opdrong. De aanval van Hamas op 7 oktober 2023, de vernietiging van Gaza, de reacties in Europa en het groeiende gevoel van morele verwarring maakten afstandelijkheid bijna onmogelijk. Mij werd door voorzitter Petra Broomans gevraagd een lezing te geven over mijn roman Naar Beiroet voor de Orde van den Prince, afdeling Groningen. Ik heb een uitgebreid verhaal op papier gezet dat ik hier graag deel. Laten we proberen er niet een te politiek verhaal van te maken. Ik heb een roman geschreven – ik schrijf al sinds ik twintig ben of zo en dit is mijn zevende roman en een boek dat voor het eerst nogal politiek is. Dat zette me aan tot nadenken over literatuur/kunst en politiek. In hoeverre gaan die twee zaken samen. Er zijn twee namen die eruit springen. Tijdens het schrijven van het boek stuitte ik op het werk van filmmaker George Sluizer, al in 2014 overleden. Sluizer filmde in Brazilië wat me in hoge mate interesseerde omdat ik Portugees spreek en ooit studeerde, net zoals Zweeds waar ik Petra nog van ken (die het als hoogleraar veel verder geschopt heeft dan ik), maar Sluizer was ook geïnteresseerd in het lot van de Palestijnen. George Sluizer filmde meerdere keren in Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon en later ook in de Palestijnse gebieden zelf. Dat begon al in 1974, in Libanon kort nadat Israël (toen al!) daar bombardeerde. Ik zal niet alle films van Sluizer noemen, hij maakte tussen 1974 en 2010 vier reportages over het lot van de Palestijnen en Libanon. Wat me is bijgebleven is dat hij zei: Ik ben niet langer objectief, dat wil zeggen objectief op de westerse manier, ik kies partij. Die uitspraak heb ik ergens in het boek verwerkt door het mijn hoofdpersoon Edgar te laten zeggen. (Tekst Gerrit Brand)
Wanneer ik Tolvlucht (2007) en Naar Beiroet (2025) naast elkaar leg, zie ik zelf het spanningsveld dat mijn ontwikkeling als schrijver zichtbaar maakt. Dat spanningsveld zit niet alleen in stijl of thematiek, maar vooral in mijn morele en politieke positionering ten opzichte van Europa, het jodendom en het Midden-Oosten. Op het eerste gezicht lijken de romans elkaar tegen te spreken, maar juist in die frictie herken ik de kern van mijn literaire project. Tolvlucht is diep verankerd in de Europese geschiedenis van het interbellum. In die roman kijk ik terug op de Eerste Wereldoorlog en vooruit naar de opkomst van het nationaalsocialisme. Ik plaats mijn hoofdpersoon, piloot Lodewijk Wilde, in een wereld waarin ideologieën verharden, maar morele keuzes nog individueel gemaakt kunnen worden. Ik benoem expliciet nazi-Duitsland en het antisemitisme dat daar wortel schiet. Lodewijk is niet slechts getuige; hij handelt. Het redden van een Joods meisje is geen terloopse scène, maar een moreel ankerpunt in het verhaal. Belangrijk voor mij in Tolvlucht is ook de ontstaansgeschiedenis van het huidige Midden-Oosten. In de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, met het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk en de bemoeienis van Europese machten, zie ik hoe de kiem wordt gelegd voor latere conflicten. Ik neem daar geen pamflettaire positie in, maar probeer historisch bewustzijn te tonen: grenzen, beloften en machtsverhoudingen worden door Europese spelers opgelegd, met gevolgen die generaties overstijgen. In Naar Beiroet, dat ik minstens 25 jaar later begon te schrijven, verschuift dat perspectief naar een directe confrontatie met het heden. In deze roman keer ik mij uitgesproken tegen Israëlisch staatsgeweld en het zionistische project, maar nadrukkelijk niet tegen joden als volk of religie. Dat onderscheid is voor mij essentieel. Waar ik in Tolvlucht antisemitisme toon als moreel kwaad binnen een Europese context, onderzoek ik in Naar Beiroet hoe historisch slachtofferschap kan omslaan in machtsuitoefening. De schijnbare tegenstelling tussen beide romans verdwijnt voor mij zodra ik het historische bewustzijn serieus neem. In Tolvlucht beschrijf ik een tijd waarin Joden kwetsbaar zijn; in Naar Beiroet beschrijf ik een wereld waarin machtsverhoudingen zijn verschoven en waarin juist die macht kritisch bevraagd moet worden. Waar Tolvlucht historisch begrijpend is, is Naar Beiroet moreel oordelend. Die verschuiving zegt minder over veranderde overtuigingen dan over veranderde tijden, en over mijn weigering om mij als schrijver te verschuilen achter neutraliteit. Lees meer op de website van Uitgeverij Nobelman: https://www.nobelman.nl/tolvlucht.html https://www.nobelman.nl/naar-beiroet Een gesprek met Jean Pierre Rawie naar aanleiding van het verschijnen van zijn Verzamelde GedichtenTekst en foto Gerrit Brand (ook gepubliceerd op Tzum.info)
Onlangs verschenen bij Uitgeverij Prometheus de Verzamelde Gedichten van Jean Pierre Rawie. 544 pagina’s. Waarin al zijn dichtbundels vanaf de eerste, Het meisje en de dood, die in 1979 verscheen, tot en met de laatste, Handschrift uit 2017 zijn opgenomen. Plus de uitgave met vertalingen, Een luchtbel in een vluchtige rivier uit 2021. Tekst Gerrit Brand (ook gepubliceerd op literairnederland.nl)
Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben een liefhebber van het werk van Rachel Kushner (1968). Al sinds in 2013 haar roman The Flamethrowers (De vlammenwerpers) verscheen. Haar werk viel me op, omdat zij dat boek begon met een snelle rit op een motor, een 1971 Ducati 750 GT nog wel, een absolute klassieker. Vervolgens koppelde ze het motorrace-element van het boek aan de art scene in New York in de jaren ’70, om te eindigen in Italië dat destijds werd verstoord door de linkspolitieke acties van de Rode Brigades. Tekst Gerrit Brand
Ik werd onlangs geïnterviewd (door Aede de Jong) over mijn nieuwe boek en mijn literaire activiteiten en hij stelde me de vraag: Is het niet iets om essays te gaan schrijven? De term essay schijnt tegenwoordig eigenlijk ook al niet meer te kunnen (we leven in een tijd waarin veel zekerheden op de helling gaan). Nog maar een week of zes geleden was er bij het CPNB (de stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek) een discussie over de term essay, die jonge lezers zou afschrikken. ‘Als lezers (jong en oud) ons zeggen afgeschrikt te worden door het woord essay, dan missen we ons doel. Dat betekent dat we in onze communicatie lezers op een andere manier moeten proberen te interesseren voor zo’n boek,’ antwoordde het CPNB op Twitter de schrijver Jamal Ouariachi. Deze had in een tweet het CPNB ervan beschuldigd aan het debiliseren te zijn: ‘Mensen die afgeschrikt worden door het woord essay, zijn geen mensen die een essay gaan lezen (…) What’s next? Is het woord roman ook al afschrikwekkend? Is het woord biografie niet doodeng?’ Nou ja, ik ga daar maar niet verder op in. Aede de Jong bracht me in zoverre op een idee dat ik dacht, kom laat ik ter gelegenheid van de presentatie van mijn boek eens een soort essay gaan schrijven. Ik hou van essays, bijvoorbeeld van die van Joan Didion of William Gass, Susan Sontag. Ja, ik ben nogal gericht op buitenlandse, veelal Amerikaanse schrijvers, maar ook op Franse en Duitse, en Portugese, Engelse, noem maar op – Zwagerman, Kousbroek, Hermans zijn in Nederland trouwens een paar belangrijke namen. Tekst Gerrit Brand
Na zestien jaar niets gepubliceerd te hebben komt Cormac McCarthy aan het eind van dit jaar met twee nieuwe romans uit. De passagier is de eerste, op 6 december volgt nog een boek, Stella Maris, dat een aanvulling op deze eerste schijnt te zijn. Je hebt van die schrijvers die je op de automatische piloot leest. Zoals Proust en Faulkner. Op de automatische piloot, omdat je hun lange meanderende zinnen op een gegeven moment niet meer kunt volgen. Te vermoeiend om alle zinswendingen en wijdlopigheden nauwkeurig te blijven volgen. Wat dan overblijft is de sfeer en algemene indruk van het werk. Cormac McCarthy is – in veel van zijn boeken – ook zo’n schrijver. Ik denk aan wat velen zijn beste roman vinden: Blood Meridian. Ook zo’n boek waar je je echt op moet concentreren om alles eruit te halen wat de schrijver erin heeft gestopt. Het particuliere in het universele getrokkenTekst Gerrit Brand Af en toe, als een boek me erg aanspreekt, wil ik er nog wel eens een bespreking aan wijden. Dat is met Het smeedwerk van herinnering van Paul Gellings het geval. Het boek is een familiegeschiedenis. Als er niet uitdrukkelijk ‘roman’ op had gestaan zou je het puur als (auto)biografisch hebben gelezen. Het is Paul Gellings gelukt zijn particuliere familiegeschiedenis een universele waarde mee te geven. Als lezer heb je voortdurend de neiging het gelezene op jezelf te betrekken en vraag je je af hoe en in hoeverre je eigen leven ook verweven is met dat van je familieleden én met de gebeurtenissen die zich in de wereld om je heen voltrekken. Zonder de dood is er geen kunst, omdat zonder de dood niets van belang isTekst Gerrit Brand
Af en toe doe je jezelf iets aan. Zoals te besluiten het laatste boek van Martin Amis te lezen en er een ‘stuk’ over te schrijven. Een recensie wil ik het niet noemen. Een beschouwing, gebaseerd op notities gemaakt tijdens het lezen van Uit de eerste hand (Inside Story), een roman van 628 pagina’s. Een roman. Maar het is helemaal geen roman. |
AuteurGerrit Brand, neerlandicus, woonachtig in Groningen, schrijver, piloot, ondernemer, zes romans gepubliceerd, Tolvlucht, Omnia Uitgevers, 2007. Bij uitgeverij Nobelman: Een heel nieuw leven, 2011; De wegen van Valentina, 2014; De Amerikaan, 2019; Le Mans, 2021; Cinemascope, 2023. Archives
July 2026
Het lage podium staat vol met apparatuur. 't Is 2010 maar het ziet eruit als 1968. Microfoonstandaards, snoeren, een Rolandorgel, een uitgebreid drumstel samengesteld uit transparante trommels, van de achteren af doorlicht. Blauwe en gele spots. Een blonde Fries staat bij het podium. 'Ken je de band nog van vroeger?' vraag ik. 'Ik heb de elpee,' luidt het antwoord, ' 't is een cultband, hè? Dat ze nog bestaan!' 'Volgens mij zijn ze jarenlang uit de running geweest (Ik heb me gedocumenteerd op internet alvorens naar Drachten (of all places) af te reizen), alleen de bassist is nog over van de originele bezetting.' De zaal is slechts gevuld met een handjevol mensen. Ik ben niet de jongste, maar ook zeker niet de oudste. Veel grijs, spijkerbroeken, slierterig lang haar. Een mooie zaal, ideaal voor rockconcerten, met een prachtige bar. Authentieke barkeepers, gouden oorringen en tatoeages, petjes, Harley Davidson op de borst. Plastic bekertjes (vroeger had je nog echte glazen, stond je tijdens een rockconcert vaak in de glasscherven, moest je schoenen aantrekken met stevige zolen), mijn god, je moet betalen met muntjes. Stop een tientje in een automaat en er rollen zes plastic muntjes uit. Een bier is één muntje, hoeveel kost dan één biertje? Ik bied de Fries ook maar een pilsje aan en vraag hem hoe oud hij is. Achtenvijftig, ik had hem jonger geschat. Hij heeft iets jongensachtigs, is dat rock 'n roll? Hij vertelt dat hij vaak, overal en nergens, in de provincie naar rockconcerten gaat. De oude namen, Ten Years After, Focus en nu Iron Butterfly, als feniksen uit de as herrezen zijn ze er om de zoveel jaar weer, back on stage, als jonge goden. Eindelijk komt de band op. Links het orgel, Boris Karloff (met lang haar) bespeelt hem, de drummer heeft bij Wishbone Ash gespeeld, rechtst de gitarist, afkomstig uit Seattle, en in het midden, vóór op het podium op een barkruk geleund, stram in de dunne benen, moeizaam bewegend, de benige vingers omwikkeld met leukoplast, bassist Lee Dorman. Petje, bril. Er wordt meteen ingezet en het geluid is overweldigend. In de sixties heette het psychedelische rock, ik zou het hardrock willen noemen. Enkele nummers, lang uitgesponnen, gierende gitaar, meeslepend orgel, hakkende drummer, drijvende bas. Mummelende Dorman, onverstaanbaar. Wat zegt-ie, wat zegt-ie? Schouderophalen, gelach. Vingers omhoog, geweldig. De jaren vallen van de schouders. Wat heb ik de afgelopen veertig jaar gedaan, meegemaakt? Vergeet het, we zijn weer terug bij het begin. Een mens verandert niet, je karakter ligt vast. Dorman mompelt iets van Harley Davidson en begint te zingen, Easy Rider. Pegs of people line the street / A ball and chain around their feet / Waitin' for a weekend treat / But Easy Rider's got 'em all beat 'cause / Easy rider, he's a glider / (Easy) Freedom, every day... Hier komen we voor. Nog een paar nummers, hetzelfde recept, jankende gitaar, dreunende orgeltonen, primair drumwerk, een heftig plukkende bassist die het ritme voortdurend opjaagt. Dan is het zover en wordt In-a-gadda-da-vida ingezet. Eerst het orgel, dan de gitaar die de lucht lijkt te willen verscheuren. Twee blonde meiden dringen zich naar voren. Toch nog twee groupies voor opa, maar hij ziet ze niet, hoeft ze ook niet, zou niet meer weten wat-ie met ze aanmoest. Als de drummer zijn minutenlang durende solo inzet, haalt Dorman moeizaam (geholpen door een roadie) zijn instrument van zijn schouder om zich stijf naar de zijkant van het podium te bewegen. Daar drinkt hij een pilsje, net als wij uit een plastic glaasje. De tijd van drugs is voorbij, het is nu zaak om overeind te blijven, nog zo lang mogelijk te blijven ademen. Prachtig die drumsolo, hij duurt en hij duurt maar. Steeds weer nieuwe variaties, holle klanken, felle klanken, blikkerige, dreunende. Je vraagt je af waarom ze daar in de jaren zeventig nu ineens zo'n hekel aan kregen. Als we terugrijden zijn we het erover eens, dit was een bevredigend concert, ruw, ongepolijst, met de dood op de hielen gespeeld, maar zonder concessies. Rock 'n roll gaat een leven lang mee. Archives
July 2026
Categories |
|
official website [Copyright © Gerrit Brand 2010-2024]
All rights reserved GerritBrand.nl Website is NOT responsible for any external link on the website Powered by: Uitgeverij Nobelman |
Contact
Uitgeverij Nobelman Emdenweg 3 9723 TA Groningen The Netherlands Tel: + 31 (0) 6 50831893 e-mail : [email protected] |



RSS Feed