• Home
  • Boeken
  • Vertalingen
  • Interviews | essays
  • Beeld
  • Pers
  • Links
  • Teksten 2010-2014
  • Bio & Contact
  Gerrit Brand

Lezing voor de Orde van den Prince, 19/05/26

5/20/2026

0 Comments

 
Picture
Mij werd door voorzitter Petra Broomans gevraagd een lezing te geven over mijn roman Naar Beiroet voor de Orde van den Prince, afdeling Groningen. Ik heb een uitgebreid verhaal op papier gezet dat ik hier graag deel. 

Laten we proberen er niet een te politiek verhaal van te maken. Ik heb een roman geschreven – ik schrijf al sinds ik twintig ben of zo en dit is mijn zevende roman en een boek dat voor het eerst nogal politiek is. Dat zette me aan tot nadenken over literatuur/kunst en politiek. In hoeverre gaan die twee zaken samen. Er zijn twee namen die eruit springen. Tijdens het schrijven van het boek stuitte ik op het werk van filmmaker George Sluizer, al in 2014 overleden. Sluizer filmde in Brazilië wat me in hoge mate interesseerde omdat ik Portugees spreek en ooit studeerde, net zoals Zweeds waar ik Petra nog van ken (die het als hoogleraar veel verder geschopt heeft dan ik), maar Sluizer was ook geïnteresseerd in het lot van de Palestijnen. George Sluizer filmde meerdere keren in Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon en later ook in de Palestijnse gebieden zelf. Dat begon al in 1974, in Libanon kort nadat Israël (toen al!) daar bombardeerde. Ik zal niet alle films van Sluizer noemen, hij maakte tussen 1974 en 2010 vier reportages over het lot van de Palestijnen en Libanon. Wat me is bijgebleven is dat hij zei: Ik ben niet langer objectief, dat wil zeggen objectief op de westerse manier, ik kies partij. Die uitspraak heb ik ergens in het boek verwerkt door het mijn hoofdpersoon Edgar te laten zeggen.



Daarnaast heb ik me het afgelopen jaar (toen was mijn boek al klaar) verdiept in het werk en het leven van Harold Pinter, de Britse toneelschrijver die ook veel filmscenario’s schreef. Hij was – voor de goede orde – trouwens van joodse afkomst. Hij keerde zich al in de Vietnamtijd, jaren zestig, tegen het oorlogszuchtige beleid van de Verenigde Staten en dat hield hij vol tot zijn dood. De Verenigde Staten, samen met Israël – of zoals sommigen denken: onder druk van Israël – spelen een zeer kwalijke rol in het Midden-Oosten. Pinter kreeg in 2005 de Nobelprijs voor de literatuur en hield toen een speech waarin hij onder andere zei: Een directe invasie van een soevereine staat is in feite nooit de favoriete methode van Amerika geweest. Over het algemeen heeft het de voorkeur gegeven aan wat het omschrijft als een ‘conflict van lage intensiteit’. Een conflict van lage intensiteit betekent dat er duizenden mensen sterven, maar langzamer dan wanneer je in één klap een bom op hen zou laten vallen. Het betekent dat je het hart van het land besmet, dat je een kwaadaardig gezwel laat ontstaan en toekijkt hoe het gangreen zich verspreidt. Wanneer de bevolking is onderworpen – of doodgeslagen – wat op hetzelfde neerkomt – en je eigen vrienden, het leger en de grote bedrijven, comfortabel aan de macht zitten, ga je voor de camera staan en zeg je dat de democratie heeft gezegevierd. Dit was een gangbare praktijk in het buitenlands beleid van de VS in de jaren waarnaar ik verwijs.
Pinter noemde in zijn speech onder ander Nicaragua, El Salvador, Guatemala, Chili en Irak. De speech is makkelijk te vinden op internet.

En dan nog iets. Mijn eerste roman heet Tolvlucht en verscheen in 2007. Ik heb er wel vijf jaar aan gewerkt. Het gaat over een piloot (ik was destijds net bezig mijn vliegbrevet te halen) die in de jaren dertig zijn memoires op papier zet, over de eerste wereldoorlog waarin hij voor de Britten onder andere in het Midden-Oosten vloog en Lawrence of Arabia ontmoette. (Je moet er maar opkomen). Hoe dan ook, de roman schetst als het ware het ontstaan van de Arabische wereld en Palestina/Israël zoals we die nu kennen. Op een gegeven moment redt deze piloot (Lodewijk Wilde) een joods meisje uit Duitsland. Ik heb het boek laatste weer eens herlezen en kwam tot de ontdekking dat ik ook toen al kritisch was op Israël maar erg veel sympathie en mededogen met de joodse bewoners had. 
 
Afijn, ik vertel u graag wat over mijn roman Naar Beiroet. Niet alleen waar het boek over gaat, maar vooral waarom ik het móést schrijven, wat mijn persoonlijke achtergrond ermee te maken heeft, en welke vragen het verhaal probeert op te roepen. Want Naar Beiroet is niet alleen een roman die zich afspeelt in Libanon; het is ook een boek dat u uitnodigt om anders te kijken naar de wereld om ons heen.
Toen ik aan het boek begon in oktober 2023, merkte ik dat ik somber werd van wat er in de wereld gebeurde. De aanval van Hamas op 7 oktober, de enorme en verwoestende reactie van Israël, de escalatie daarna — het kwam allemaal heel dichtbij. Niet alleen door de beelden, maar vooral door de stemmen van mensen die ik ken, door familie in Libanon, door vrienden in de regio. Ik voelde die spanning bijna dagelijks. Ik schreef in mijn notities: ‘Toen ik aan dit boek begon was ik gedeprimeerd — en werd ik steeds gedeprimeerder. Door de toestand in de wereld.’ Dat gevoel werd later eigenlijk mijn motor. Ik moest iets doen met die somberheid, iets dat verder ging dan alleen het nieuws volgen of me opwinden over wat er gebeurde. En voor mij betekent dat: schrijven.

Maar ik wilde geen pamflet schrijven. Daar schiet niemand iets mee op. Literatuur kan namelijk iets wat opiniestukken of discussies niet kunnen: het kan ruimte scheppen. Ruimte om na te denken, om te voelen, om te twijfelen. Een roman kan iets openlaten. Die benadering sprak me veel meer aan.

En daarmee kwam ik eigenlijk vanzelf bij een bredere vraag terecht, die mij tijdens het schrijven steeds meer is gaan bezighouden: Wat is de rol van een schrijver in een tijd als deze? Moet een schrijver zich uitspreken, positie kiezen, zich mengen in het debat? Of is het juist zijn taak om afstand te houden?
Die vraag lijkt eenvoudig, maar dat is ze niet. Ze raakt aan de kern van wat literatuur is. In onze tijd — snel, luid, voortdurend reagerend al was het alleen al vanwege de social media die alles overheersend zijn — is er weinig ruimte voor nuance. Stilte wordt al snel opgevat als onverschilligheid, nuance als lafheid. Alsof de schrijver permanent verplicht zou zijn een publieke rol te vervullen.

Als je terugkijkt naar andere schrijvers, zie je dat daar heel verschillend over wordt gedacht. George Orwell stelde dat alle kunst in zekere zin propaganda is — niet omdat ze partijpolitiek moet zijn, maar omdat ze altijd voortkomt uit keuzes en overtuigingen. Toni Morrison zei zelfs: alle goede kunst is politiek, en wie probeert niet politiek te zijn, is dat juist impliciet wel. En Jean-Paul Sartre ging nog verder: voor hem kon een schrijver niet anders dan betrokken zijn, omdat schrijven zelf een vorm van handelen is.
Maar daar staat een andere traditie tegenover. Schrijvers als Nabokov of Italo Calvino waarschuwden juist voor de verleiding van het politieke. Zij vonden dat literatuur vrij moet kunnen bewegen, zonder opgelegd doel. En Margaret Atwood benadrukte dat geen enkele schrijver verplicht is woordvoerder te zijn van een beweging of een idee.
Daartussen zit een positie die mij persoonlijk aanspreekt. Albert Camus schreef dat een schrijver in zijn tijd moet staan, maar er niet volledig door bepaald mag worden. En Virginia Woolf formuleerde het misschien nog preciezer: denken is mijn vorm van verzet. Het schrijven zelf — het kijken, het onderzoeken, het verhelderen — is al een vorm van betrokkenheid.

Voor mij werd dat tijdens het schrijven van Naar Beiroet steeds duidelijker. Ik wilde geen pamflet schrijven, maar ik kon ook niet doen alsof de wereld er niet was. De werkelijkheid drong zich op — via het nieuws, via gesprekken, via mijn eigen ervaringen in Libanon. Maar juist daarom wilde ik een vorm vinden die ruimte laat, die niet dwingt, die niet voorschrijft wat de lezer moet denken.

Dus ik stelde mezelf een paar vragen: wat betekent het om nú te kijken naar het Midden-Oosten? Wat betekent het om in Nederland te leven, veilig en comfortabel, terwijl elders de wereld in brand staat? En wat doet dat met je blik op jezelf?
Mijn eigen band met Libanon speelde daarbij een grote rol. Ik kom al zo’n twintig jaar in dat land — niet als toerist, maar omdat mijn vrouw daar vandaan komt. Haar familie woont in het zuiden, rond Tyre, in een overwegend sjiitische gemeenschap. Door de jaren heen heb ik Libanon leren kennen van binnenuit: aan de keukentafel, op familiefeesten, bij mensen thuis, op warme balkons met uitzicht op zee, in gesprekken met kunstenaars, vissers, studenten, winkeliersters.

Als je daar zo lang en zo vaak komt, gaat dat land onder je huid zitten. Dan zie je de wereld niet meer alleen door een westerse bril. Je ruikt de geuren van de stad, je hoort hoe mensen reageren op het nieuws, op bombardementen, op weer een politieke crisis. Je ziet hoe kinderen opgroeien onder omstandigheden die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. Die ervaringen draag ik al twintig jaar met me mee, en ze zitten allemaal — zichtbaar of onzichtbaar — in Naar Beiroet.

In het boek zitten (uiteraard zou ik bijna zeggen) ook autobiografische elementen. De hoofdpersoon, Edgar Laseur, is een kunsthandelaar die zich afvraagt wat hij nog met zijn leven moet. Ik heb zelf jarenlang een galerie gehad en twintig jaar de Kunstkrant uitgegeven. Ik ken die wereld dus goed. Edgar is fictief, maar zijn zoektocht is dat niet.

De echte aanzet voor het verhaal ligt natuurlijk in de recente geschiedenis. Ik begon te schrijven kort na 7 oktober 2023. Wat daarna gebeurde — de vernietiging van Gaza, de angst, de woede, de machteloosheid — is voor ons vaak nieuws, maar voor mensen in de regio dagelijkse realiteit. En daar komt nog iets bij: het besef dat dit conflict een bijna 80 jaar lange voorgeschiedenis heeft, van bezetting, onteigening en ongelijkheid.
Dat perspectief hoor je in het Midden-Oosten veel sterker dan hier. En dat geluid wilde ik een plek geven in mijn roman. Niet om de lezer iets op te leggen, maar om hem uit te nodigen anders te kijken.

Daarom noem ik Naar Beiroet een ideeënroman. Edgar Laseur maakt een ontwikkeling door die niet alleen politiek is, maar ook moreel en persoonlijk. Hij gaat twijfelen aan zijn eigen vanzelfsprekendheden. De stijl van het boek ondersteunt dat. Dialogen zonder aanhalingstekens, gedachten en observaties die door elkaar lopen. Het weerspiegelt de verwarring, maar ook de intensiteit van een stad als Beiroet.
Wanneer ik deze roman naast mijn eerdere roman Tolvlucht leg, zie ik een spanningsveld dat mijn ontwikkeling als schrijver zichtbaar maakt. Tolvlucht speelt zich af in het interbellum en laat zien hoe antisemitisme ontstaat binnen Europa. Daarin is het morele kader duidelijk: mijn hoofdpersoon handelt, hij redt een Joods meisje, hij kiest.

In Naar Beiroet is de situatie anders. De geschiedenis is verschoven, de machtsverhoudingen ook. Daar stel ik andere vragen: wat gebeurt er als slachtofferschap overgaat in macht? Hoe verhoud je je tot geweld wanneer het door een staat wordt uitgeoefend? En hoe blijf je onderscheid maken tussen kritiek op politiek en respect voor mensen?

Voor mij zijn die twee romans geen tegenstelling, maar een doorlopend verhaal. Waar Tolvlucht historisch begrijpend is, is Naar Beiroet meer oordelend. Niet omdat mijn overtuigingen zijn veranderd, maar omdat de tijd dat vraagt. En omdat ik als schrijver niet geloof dat neutraliteit altijd mogelijk — of zelfs wenselijk — is.
En daarmee kom ik eigenlijk terug bij die ene vraag: moet een schrijver politiek betrokken zijn?

Ik denk dat het antwoord geen ja of nee is. Literatuur ontsnapt niet aan de wereld, maar de wereld mag de literatuur ook niet volledig bepalen. De schrijver beweegt zich daartussen, soms naar binnen gekeerd, soms naar buiten gericht. Engagement is geen plicht, maar een mogelijkheid.
Voor mij betekende dat: een roman schrijven die niet schreeuwt, maar vraagt. Die niet overtuigt, maar laat zien. Die de lezer niet vertelt wat hij moet denken, maar hem uitnodigt om zelf te kijken, te voelen en te twijfelen.
Naar Beiroet is een boek dat voortkomt uit meer dan twintig jaar reizen, luisteren, vragen en verwondering. Het is een boek over mensen, hun kwetsbaarheid, hun moed, hun verdriet en hun keuzes.

​
​


Essay. Moet een schrijver partij kiezen?

Ik heb bovenstaande tekst herschreven tot een essay dat te lezen valt op Tzum. 
0 Comments



Leave a Reply.

    Auteur

    Gerrit Brand, neerlandicus, woonachtig in Groningen, schrijver, piloot, ondernemer, zes romans gepubliceerd, Tolvlucht, Omnia Uitgevers, 2007. Bij uitgeverij Nobelman: Een heel nieuw leven, 2011; De wegen van Valentina, 2014; De Amerikaan, 2019; Le Mans, 2021; Cinemascope, 2023.

    RSS Feed

    Archives

    July 2026
    June 2026
    May 2026
    March 2026
    January 2025
    September 2024
    May 2023
    November 2022
    December 2021
    May 2021
    April 2021
    October 2020
    November 2019
    March 2019
    January 2018
    August 2017
    March 2017
    January 2017
    December 2016
    December 2015
    March 2014
    January 2014
    July 2013
    June 2013
    December 2011
    June 2011
    May 2011
    December 2010
    November 2010


    Het lage podium staat vol met apparatuur. 't Is 2010 maar het ziet eruit als 1968. Microfoonstandaards, snoeren, een Rolandorgel, een uitgebreid drumstel samengesteld uit transparante trommels, van de achteren af doorlicht. Blauwe en gele spots. Een blonde Fries staat bij het podium. 'Ken je de band nog van vroeger?' vraag ik. 'Ik heb de elpee,' luidt het antwoord, ' 't is een cultband, hè? Dat ze nog bestaan!' 'Volgens mij zijn ze jarenlang uit de running geweest (Ik heb me gedocumenteerd op internet alvorens naar Drachten (of all places) af te reizen), alleen de bassist is nog over van de originele bezetting.'

    De zaal is slechts gevuld met een handjevol mensen. Ik ben niet de jongste, maar ook zeker niet de oudste. Veel grijs, spijkerbroeken, slierterig lang haar. Een mooie zaal, ideaal voor rockconcerten, met een prachtige bar. Authentieke barkeepers, gouden oorringen en tatoeages, petjes, Harley Davidson op de borst. Plastic bekertjes (vroeger had je nog echte glazen, stond je tijdens een rockconcert vaak in de glasscherven, moest je schoenen aantrekken met stevige zolen), mijn god, je moet betalen met muntjes. Stop een tientje in een automaat en er rollen zes plastic muntjes uit. Een bier is één muntje, hoeveel kost dan één biertje? Ik bied de Fries ook maar een pilsje aan en vraag hem hoe oud hij is. Achtenvijftig, ik had hem jonger geschat. Hij heeft iets jongensachtigs, is dat rock 'n roll? Hij vertelt dat hij vaak, overal en nergens, in de provincie naar rockconcerten gaat. De oude namen, Ten Years After, Focus en nu Iron Butterfly, als feniksen uit de as herrezen zijn ze er om de zoveel jaar weer, back on stage, als jonge goden.

    Eindelijk komt de band op. Links het orgel, Boris Karloff (met lang haar) bespeelt hem, de drummer heeft bij Wishbone Ash gespeeld, rechtst de gitarist, afkomstig uit Seattle, en in het midden, vóór op het podium op een barkruk geleund, stram in de dunne benen, moeizaam bewegend, de benige vingers omwikkeld met leukoplast, bassist Lee Dorman. Petje, bril. Er wordt meteen ingezet en het geluid is overweldigend. In de sixties heette het psychedelische rock, ik zou het hardrock willen noemen. Enkele nummers, lang uitgesponnen, gierende gitaar, meeslepend orgel, hakkende drummer, drijvende bas. Mummelende Dorman, onverstaanbaar. Wat zegt-ie, wat zegt-ie? Schouderophalen, gelach. Vingers omhoog, geweldig. De jaren vallen van de schouders. Wat heb ik de afgelopen veertig jaar gedaan, meegemaakt? Vergeet het, we zijn weer terug bij het begin. Een mens verandert niet, je karakter ligt vast. Dorman mompelt iets van Harley Davidson en begint te zingen, Easy Rider. Pegs of people line the street / A ball and chain around their feet / Waitin' for a weekend treat / But Easy Rider's got 'em all beat 'cause / Easy rider, he's a glider / (Easy) Freedom, every day...

    Hier komen we voor. Nog een paar nummers, hetzelfde recept, jankende gitaar, dreunende orgeltonen, primair drumwerk, een heftig plukkende bassist die het ritme voortdurend opjaagt. Dan is het zover en wordt In-a-gadda-da-vida ingezet. Eerst het orgel, dan de gitaar die de lucht lijkt te willen verscheuren. Twee blonde meiden dringen zich naar voren. Toch nog twee groupies voor opa, maar hij ziet ze niet, hoeft ze ook niet, zou niet meer weten wat-ie met ze aanmoest. Als de drummer zijn minutenlang durende solo inzet, haalt Dorman moeizaam (geholpen door een roadie) zijn instrument van zijn schouder om zich stijf naar de zijkant van het podium te bewegen. Daar drinkt hij een pilsje, net als wij uit een plastic glaasje. De tijd van drugs is voorbij, het is nu zaak om overeind te blijven, nog zo lang mogelijk te blijven ademen. Prachtig die drumsolo, hij duurt en hij duurt maar. Steeds weer nieuwe variaties, holle klanken, felle klanken, blikkerige, dreunende. Je vraagt je af waarom ze daar in de jaren zeventig nu ineens zo'n hekel aan kregen.

    Als we terugrijden zijn we het erover eens, dit was een bevredigend concert, ruw, ongepolijst, met de dood op de hielen gespeeld, maar zonder concessies. Rock 'n roll gaat een leven lang mee.

    Archives

    July 2026
    June 2026
    May 2026
    March 2026
    January 2025
    September 2024
    May 2023
    November 2022
    December 2021
    May 2021
    April 2021
    October 2020
    November 2019
    March 2019
    January 2018
    August 2017
    March 2017
    January 2017
    December 2016
    December 2015
    March 2014
    January 2014
    July 2013
    June 2013
    December 2011
    June 2011
    May 2011
    December 2010
    November 2010

    Categories

    All
    Bezuinigingen Kunst Subsidie
    Literair

    RSS Feed

official website [Copyright © Gerrit Brand 2010-2024]
All rights reserved
GerritBrand.nl Website is NOT responsible for any external link on the website
Powered by: Uitgeverij Nobelman
Contact
Uitgeverij Nobelman
Emdenweg 3
9723 TA Groningen
The Netherlands
Tel:            + 31 (0) 6 50831893
e-mail :      [email protected]